Een specialist nodig? 030 – 272 45 00

br&dh jurisprudentie: Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (BIBOB) |Rechtbank Amsterdam (publicatiedatum: 1-4-2015)

22 mei 2015

In: JurisprudentieNieuwsberichten

Op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (ook wel genoemd de Wet BIBOB) mag het openbaar bestuur – zoals gemeenten – een vergunning weigeren of intrekken als er gevaar dreigt dat de vergunning wordt misbruikt of zal worden misbruikt voor het plegen van strafbare feiten. Om het gevaar te bepalen vraagt de betreffende overheidsinstantie advies bij het Landelijk Bureau Bibob. Er wordt door het Bureau een  integriteitsscreening uitgevoerd om te bepalen of er ‘gevaar’ bestaat en de betreffende vergunning – bijvoorbeeld een exploitatievergunning – geweigerd of ingetrokken moet worden.

In de jurisprudentie is neergelegd dat in eerste instantie mag worden uitgegaan van het advies van het Bureau.

In de jurisprudentie is ook veelvuldig door de rechter bepaald dat er gevaar bestaat omdat een bestuurder of leidinggevende in het verleden stafbare feiten heeft gepleegd. Of dat relaties van de betreffende onderneming strafbare feiten hebben gepleegd.

Tegen een negatief advies van het Bureau kan geen bezwaar gemaakt worden. Wel tegen de afwijzing door de gemeente. Een bezwaarschrift moet binnen zes weken worden ingediend (vanaf de datum van het besluit of na de datum van verzending van het besluit. Dit staat in het besluit genoemd (zie de rechtsmiddelenclausule).

br&dh advocaten adviseert u om ons al in te schakelen voordat u de vragenlijst invult. Alsdan kan wellicht voorkomen dat u een negatief besluit krijgt. Uiteraard kunnen wij u bijstaan bij een afwijzing op grond van de Wet BIBOB. Neemt u dan zo spoedig mogelijk contact op met mr. J.W.D. (Jaap-Willem) Roozemond of mr. J. (Arjan) De Haan.

Opmerking terzijde: in de jurisprudentie is bepaald dat de intrekking of weigering niet aangemerkt wordt als ‘criminal charge’. Een criminal charge betekent dat de intrekking of weigering als bestraffende sanctie moet worden aangemerkt. De rechter zegt hierover:

Ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling faalt het betoog van eiseres dat de weigering van de vergunningen moet worden aangemerkt als een “criminal charge” als bedoeld in artikel 6 van het EVRM (zie de uitspraak van de Afdeling van 3 februari 2010). Hetzelfde geldt voor het betoog van eiseres dat de weigering van de vergunningen zich niet verhoudt tot artikel 1 van het Protocol bij het EVRM.

Het kan dus wel degelijk zo zijn dat de intrekking of weigering onevenredig is. Alsdan kan wel degelijk bepleit worden dat er sprake is van een ‘criminal charge’. Als daarvan sprake is, gelden de waarborgen van art. 6 en 7 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).

Zie over deze materie de volgende uitspraken: zaak 1 zaak 2

 

Advies van ons nodig?

Heeft u advies of juridische bijstand nodig?
Neem dan contact met ons op!
Bel 030 272 45 00

Stuur een mail
U gebruikt een verouderde browser!

Werk uw huidige browser bij naar de laatste versie. Update mijn browser nu

×